Kerk in Lieshout

Wanneer zijn de bewoners van Lieshout tot het katholieke geloof bekeerd? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden, maar men kan veronderstellen, dat toen St. Willibrordus in 721 een kerk bouwde te Bakel, ook Lieshout niet lang daarna zal zijn bekeerd.
Na hun bekering tot het christendom, zijn er natuurlijk wel sporen van hun heidens bijgeloof gebleven. Zo hadden de mensen vroeger hun heilige eiken, waar ze offers brachten aan de goden. Die heilige eiken werden niet omgekapt, maar de priesters zorgden dat de christenen daar voortaan baden tot Christus en de heiligen.De zesde kerk van Lieshout
Ook waren ze vroeger bang op driesprongen van wegen, waar goden en boze geesten heersten, maar de priesters plaatsten daar een kruis, dat hagelkruis werd genoemd, zoals er thans te Aarle-Rixtel nog een staat langs de “Hagelkruisweg”, dicht bij het dorp. In de gemeente Erp moet een heilige eik hebben gestaan langs de “Hoolstraat”, eveneens aan een driesprong.
We mogen veronderstellen dat omstreeks het jaar 800 de bewoners van Lieshout gekerstend waren. Lieshout is thans aan zijn zesde parochiekerk, welke allen zijn toegewijd geweest aan de heilige Servatius (geloofsverkondiger gestorven omstreeks 384). Meer dan 800 jaar geleden stond er in Lieshout een “kasteel” ongeveer een kwartier gaans van het dorp in het gehucht “’t Hof”. Dit kasteel was eigendom van het geslacht “Van Lieshout”, en werd bewoond door (Baldwines) Balduïnus van Lieshout, ridder in de 12de eeuw, welke norbertijn werd en bij intreding in deze orde al zijn goederen aan de abdij van Floreffe schonk. Op deze wijze werd het kasteel na enige veranderingen ingericht tot klooster van de abdij van Floreffe. De vrome ridder bracht de rest van zijn leven als broeder in deze orde door.
In het jaar 1199 komt hij nog als broeder in dit klooster voor. Wanneer hij precies is ingetreden, is niet juist te zeggen, maar dit zal in ieder geval geweest zijn voor 1194, want in dat jaar op 29 maart bevestigde Paus Coelestinus III aan de abdij van Floreffe haar bezittingen waaronder genoemd werden:
– Een boerderij te Lieshout;
– De kerk van Lieshout;
– Het kasteel van Lieshout met toebehoren.
Wanneer deze witheren het godshuis (kasteel) hebben verlaten is niet precies te zeggen, wel zegt het archief van Pastel dat het huis en de abdijgoederen in 1308 aan een zekere Rutger van Erp, een adellijke uit de buurt, zijn uitgegeven. Zijn nakomelingen waren in 1456 hiervan nog bezitter.
De religieuzen hebben dus waarschijnlijk enige tijd voor 1308 het kasteel verlaten, maar ze behielden natuurlijk het patronaat der kerk, d.w.z. het recht om een pastoor uit hun orde te benoemen, dus een norbertijn (witheer). Op 5 mei 1682 droeg de prelaat van Floreffe het patronaat der kerk over aan de abdij van Postel van dezelfde orde. Deze behield het patronaat tot 1824.
Wat het grondgebied betrof was de parochie zeer uitgestrekt want ook Ginderdoor (thans Mariahout), behoorde hiertoe. Vroeger, het juiste jaartal is niet bekend, heeft in het gehucht Ginderdoor een kapel gestaan, welke was toegewijd aan de H. Antonius abt. Uit een kerkvistitatie van 1816 blijkt, dat de bewoners van Ginderdoor voor een H.Mis zorgden op zon- en feestdagen. Deze H.Mis geschiedde natuurlijk vanuit Lieshout. In een stuk van 13 januari 1634 spreken twee kapelmeesters Wouter Wouterssen enAndreas Frans Maas van twee missen op woensdag en vrijdag. In 1625/1626 is er rector Henricus Weijffelers, die er reeds jaren aanwezig was. Bij de kerkvisitatie van 1689 wordt gelast dat de documenten der kapel aan de pastoor moeten worden overhandigd. Ook deze kapel werd in 1648 in beslag genomen door de protestanten, en sindsdien zijn er geen diensten meer gehouden.
In de kapel van Ginderdoor had de Heer van Beek de bevoegdheid om eenmaal per jaar zitdag te houden, en vonnissem te wijzen. De kapel bestond nog in 1788, in 1803 stond ze er nog gedeeltelijk, en daarna is ze gesloopt. In 1837 heeft men op deze plaats een brandspuithuisje gebouwd, dat intussen ook weer reeds lange tijd verdwenen is. De plaats van deze kapel moet vooraan links in Ginderdoor geweest zijn, in de buurt waar thans de boerderij van de Gebr. Kerkhof ligt (op een atlas van 1693 is deze kapel aabgegeven). In 1815 verlenen Gedeputeerde Staten goedkeuring tot het bouwen van een veldwachterswoning. Hiervoor mocht de afbraak der vervallen kapel op Ginderdoor gebruikt worden.
In het begin der 19de eeuw beschikte de abdij van Postel niet meer over voldoende priesters om de zeer vele parochieherders die ze in ons bisdom bezaten te bedienen en daarom is door vicaris van Alphen overgegaan tot het benoemen van priesters uit ons bisdom en zo komt in onze parochie, de eerste “zwarte” pastoor in 1824 en wel pastoor van Densen.
In het begin der 19de eeuw zijn de kerkelijke toestanden veel veranderd. Het goede dat Napoleon in deze streken heeft gedaan, is wel, dat onder de regering van zijn broer Lodewijk Napoleon (1806-1813) veel vroeger ontnomen kerken werden teruggegeven, onder bepaalde voorwaarden, o.a. de St. Jan in Den Bosch en de kerk van Oirschot (Willem I). Ook was er een wet gemaakt, dat daar waar zulks niet kon geschieden men rijkssubsidie kon krijgen voor de bouw van een nieuwe kerk, doch men was dan ook aan bepaalde voorwaarden gebonden, o.a. dat het gebouw volgens plan en tekeningen toestemming behoefde van het ministerie van rijkswaterstaat. Daarvandaan de zogenaamde waterstaatskerken, welke allen nagenoeg van hetzelfde type waren. Bijvoorbeeld Lieshout, Beek, Gestel en Berlicum. De stijl van deze kerken was helemaal niet mooi, zodat de architecten spottend zeiden: “Wat er staat, is Waterstaat”.
Dat de parochie Lieshout zeer uitgebreid was hebben we gezien, maar toch telde ze slechts enkele parochianen. Dit blijkt o.a. hieruit:
– in 1616 waren er 500 communicanten;
– einde 18de eeuw telde Lieshout 826 inwoners;
– er waren in de jaren 1665 – 1755 dan eens twintig dan weer eens dertig doopsels per jaar.
Nu we de algemene lijnen hebben besproken kunnen we vervolgens met de beschrijvingen e.d. van de kerken, waarin onze voorouders in het verleden en thans ter kerke zijn gegaan en nog gaan.
Dit waren er in totaal zes kerken en wel:

Eerste Kerk
Deze kerk was gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het klooster, het voormalige kasteel van Lieshout. Hoe lang deze kerk er gestaan heeft is onbekend, maar ze werd in later tijden vervangen door de ons bekende kerk in het Hof. Deze kerk in het Hof is dus de tweede on bekende kerk.

Tweede Kerk
Deze kerk in het gehucht “’t Hof” werd in 1648 (het jaar van de vrede van Munster) op last van het staatse gezag gesloten, zoals alle kerken in ons zuiden.
Rond die tijd was Willem van Empel schout van Lieshout. Er kwamen ambtenaren uit het noorden ter controle naar de Meijerij om van de stand van zaken kennis te nemen. Omstreeks 20 mei 1649 werden drie katholieke waardigheidsbekleders, lieden die de eed op de republiek hadden afgelegd, naar Den Haag geroepen om zich te verantwoorden voor dulding van onregelmatigheden door de protestanten. Als ze niet verschenen volgde ontslag. Die drie waren Jan Verdijsteldonck, sedert 1644 notaris en deurwaarder te Eindhoven, als tweede vorster van Eersel en de als derde Willem van Empel geboren te Helmond, hij was daar van 1640 tot 1648 schepen, en sedert 1641 opvolger van zijn vader, schout van Lieshout. Verdijsteldonck en Willem van Empel gingen naar Den Haag.
Verdijsteldonck werd uit beide ambten ontzet en de prelaat van Floreffe, die heer van Lieshout was, werd verzocht dat hij voorlopig hetzelfde zou doen met van Empel totdat de raad een vonnis had gewezen. Over het verdere verloop is niets bekend. Van Empel stierf 11 mei 1650.
De oude parochiekerk was een kerk met drie dakken, een aansluitend priesterkoor met 7 ramen, geweldige brede steunberen en het priesterkoor lag iets hoger gevormd in een halve zeshoek. De galmgaten van de toren begonnen bij de nok van het dak van het schip.
In deze kerk stonden de volgende beneficiën: altare S. Mariae, Antonii et Agnetis. De analecta vermelden: Altare Mariae, altare Mariae et Anthonii, Altare matricularia.
Het archief van het bisdom noemt het beneficie van Onze Lieve Vrouw, waarvan in 1586 de reductie van twee missen tot één gevraagd wordt. De pastoor Wisschaven, de tweede fabrieksmeesters en twee schepenen presenteren in 1596 voor het beneficie van Onze Lieve Vrouw en van de H.H. Catharina, Agnes en Anthonius, na overlijden van Johannes Pauli, als rector Jaspar Gerardi te Lieshout verblijvende. De institutie volgde op 20 juni 1586. Jaspar Gerardi wordt in 1615/1616 nog vernoemd.
Coeverincx (historieschrijver) noemt: altare Mariae Catharinae et Michaëlis en het altare Mariae et Barbarae. Vandaar het oude gilde van St. Barbara. Pastoor Petrus de Wisschaven, die in het jaar 1593 wegens de grote gevaren te Helmond verbleef, en de parochie door Johannes Pauli liet bedienen, schrijft dat aan het veertig mudden spelt zeven missen in de week verbonden zijn. Het altaar van Onze Lieve Vrouw waaraan acht mudden rogge met vijf wekelijkse missen verbonden zijn, had tot rector Joannes Pauli. Het altaar van de H. Barbara met drie missen en acht mudden rogge bediende de aanwezige rector Gaspar Gerardi aan wie het kosterschap matricularia annalis was opgedragen. De kerkvisitatie van 1616 spreekt slechts van het beneficie van O.L.Vr. waarvan de residerende rector was Gaspar Gerardi en van het beneficie der H. Barbara belast met twee wekelijkse H. Missen, alsdan bezeten door Jan Kessels gewezen pastoor van Gerwen, zich in het land van Ravenstein ophoudende.
Dat de kerk van Lieshout ook vroeger steeds weldoeners heeft gehad blijkt uit het volgende: Op 9 september 1472 verklaren broeder Gijsbertus van Berlaer investitus en pastoor van de parochiekerk alhier, religieus premonstreit van de abdij van Floreffe en anderen: dat Henricus Wijtven, ziek te bed liggend, verschillende legaten aan de pastoor, aan de koster en aan de altare der kerk van Lieshout vermaakte.
De oude parochiekerk werd waarschijnlijk slecht onderhouden en verwaarloosd, want door de storm van 9 november 1800 is zij ingestort. De noordmuur is zelfs tot de helft van de hoogte omgewaaid. Nu was dit ook wel een geweldige zuid wester storm, welke de ergste was sedert mensenheugenis, ook werden o.a. de toren van Heeze, Blaarthem, Breugel en Woensel weggerukt. De zeeën waren bedekt met wrakken van verbrijzelde schepen en er moet tegelijkertijd een beweging in de aarde zijn geweest terwijl het water in de gewone putten zelfs daags voor de storm met de oppervlakte gelijk stonden, zonder dat het tevoren veel geregend of gesneeuwd had. Mensen konden niet op de been blijven en zochten dekking buiten hun huizen achter hagen en struiken. De orkaan begon des morgens om 6 uur, wies langzaam aan, duurde de gehele dag, en was in de namiddag van 1 tot 5 uur op zijn hevigste en bedaarde des nachts om 12 uur. Ook een klein dennenbos nabij het Herenhuis werd bijna geheel door de storm vernield.
De toren van de kerk welke in 1775 nog aanmerkelijk was verhoogd heeft deze orkaan getrotseerd en is blijven staan. Zij werd later in 1836 afgebroken ten behoeve van de nieuwe kerk aan de Renstraat (thans Heuvelstraat). In deze oude toren bevond zich ook een uurwerk, hetwelke door een parochiaan dagelijks moest worden opgewonden. Het opwinden van de klok in de parochietoren werd jaarlijks openbaar aanbesteed ten overstaan van de leden der municipaliteit (gemeentebestuur) binnen Lieshout. Op 19 april 1797 vond een dergelijke aanbesteding plaats, en Reijnier de Greef nam aan het uurwerk op tijd op te winden en op eigen kosten te smeren, tegen een bedrag van twee gulden en tien stuyver per jaar.
Over de oude kerk in het Hof zijn door de jaren allerlei geruchten rondgegaan over een onderaardse gang e.d. Hieromtrent is men echter nooit iets wijzer geworden. Toen later in 1929 de Bakelse Fons Dekkers op een boerderij in het Hof kwam wonen, werd hem door buurtgenoten al spoedig verteld, dat hij eigenlijk op een oud klooster woonde. Van dit klooster (of kerk) stond nog een klein gedeelte overeind. Dat was het achtergebouwtje, met de muren, die wel een halve meter dik waren. Men kon goed zien dat er nog een zware muur tegenaan had gestaan. Waarschijnlijk stond daar lang geleden de kerk.
Aan de linkerzijde van de boerderij heeft het kerkhof gelegen. Op deze plaats stootte de boer al spoedig op geraamten. Zeker twintig skeletten haalde Fons Donkers naar boven, begroef deze in een gemeenschappelijk graf, en liet verder het knekelveld ongemoeid. Op dit kerkhof heeft nog tot 1967 gestaan het zogenaamde “knekelhuisje”. Nu moet men niet denken dat de kerk vroeger helemaal uit het dorp lag, want rondom de kerk was het centrum en lagen vele boerderijtjes, waarvan er reeds zijn afgebroken. Thans moet men om in het Hof te komen een hele omweg maken, omdat later in 1927 het Wilhelminakanaal is gegraven. Maar vroeger moet hier het centrum van het dorp hebben gelegen.

Derde Kerk
De derde kerk van Lieshout was een schuurkerk. Van deze kerk is ons zeer weinig uit de geschiedenis bekend. De schuurkerk zal in gebruik genomen zijn in 1648, toen de oude parochiekerk werd gesloten. Ook is niet bekend hoelang of tot welk jaar deze gebruikt is. Op de plaats der kerk werd later een huis gebouwd genaamd “De Hoef”, behorende aan de heer van Lieshout.

Vierde Kerk
Deze kerk eveneens een schuurkerk werd gebouwd langs de Renstraat. Ook van deze kerk zijn weinig exacte gegevens bekend. Wel weten we dat deze is gebruikt, totdat de nieuwe kerk met toren in gebruik is genomen, dus tot 4 mei 1839. Het hoogaltaar van deze schuurkerk bevond zich ongeveer op de plaats waar later de toren der kerk kwam te staan. Onder de Napoleonstrijd is deze kerk, ondanks vele moeilijkheden met de parochianen vergroot in 1812.
De tweede moeilijkheid ontstond doordat de regering zich aanvankelijk tegen deze vergroting verzette, maar na enige besprekingen is tot deze vergroting verlof gegeven in 1812. Deze vergrote schuurkerk kan niet groot geweest zijn, want ze stond in haar lengte met pastorie langs de Renstraat. Het pleintje en kerkhof daarvoor was toen geen eigendom van de kerk.
Dat de kerk klein was blijkt ook uit de opbrengsten van de jaarlijkse verpachting van banken en stoelen. Het inkomstenboek der kerk van 1824 meldt de opbrengst van biezen stoelen 46,10 gulden. De drie banken aan de vrouwenkant brachten samen 12 gulden op. Aan de mannenkant brachten drie banken 9,35 gulden op. In 1825 werd een vierde bank aan de vrouwenkant bijgeplaatst, welke 1 gulden opbracht. De vierde bank aan de mannenkant bracht 2,20 gulden op. Zodoende bedroeg het plaatsengeld per jaar 70,65 gulden.
De schuurkerk met zijn strooien dak, was niet alleen te klein, doch was ook versleten hetgeen blijkt uit de uitgaven. Het jaar 1824 vermeldt verschillende dagen loon voor dekken en de aankoop van stro, en verder dekmateriaal als rietvorstpannen. Deze en dergelijke uitgaven blijven geregeld terugkomen tot 1831. Het was dus de hoogste tijd om over te gaan tot de bouw van een nieuwe kerk.

Vijfde Kerk
De vijfde kerk van onze parochie werd gebouwd aan de Renstraat, ongeveer op de plaats waar de laatste schuurkerk stond. Bouwpastoor was Johannes van Densen, geboren te ’s-Hertogenbosch 21 juni 1781 en na acht jaar pastoor te zijn geweest in Rossum werd hij in 1824 alhier pastoor. Hij is pastoor gebleven tot 1852, legde toen het pastoorsambt neer, doch bleef op de pastorie wonen, waar als zijn opvolger was benoemd Petrus van den Boer, een neef van hem.
Pastoor van Densen stierf op de pastorie alhier op 25 november 1861. Hij werd begraven op het kerkhof in ’t Hof, doch is later overgebracht naar het nieuwe kerkhof aan de Renstraat naast de kerk welke hij bouwde. Dit kerkhof is in gebruik genomen op 9 augustus 1864. Zijn graf alsmede de mooie grafsteen werd totaal vernield tijdens de afbraak van deze kerk.
Pastoor van Densen legde in 1835 voor zijn 1024 parochianen de fundamenten voor een doelmatige en degelijke dorpskerk, met toren. Pastoor van Densen zat met zeer grote financiële moeilijkheden. Het kerkbestuur had slechts een bezit van 4500 gulden en de jaarlijkse inkomsten bedroegen slechts circa 300 gulden. De begroting van de nieuwe kerk was zonder toren en zonder inventaris geraamd op 12.500 gulden. In bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden kon men echter van rijkswege een subsidie ontvangen voor de bouw van nieuwe kerken. Men vroeg toen aan het rijk een subsidie aan van 8000 gulden, doch men kreeg toezegging voor 5000 gulden. Voor de rest moest men trachten zelf uit vrijwillige giften, banken, de grootste helft of 2/3 te bestrijden.
Bij Koninklijk besluit van 14 juni 1834 werd genoemde subsidie verleend onder de volgende voorwaarden:
1. het bestek volgens een ontworpen plan, moest goedkeuring hebben van de provinciale hoofdingenieur van rijkswaterstaat.
2. binnen zes maanden na afbouw moest aan Gedeputeerde Staten verantwoording worden afgelegd.
3. het kerkbestuur heeft de plicht tot onderhoud.
4. de staat vult het tekort niet aan.
Rooskleurig zag het er met de financiën dus niet uit. Daarom klopte men ook aan bij het gemeentebestuur van Lieshout, dat toen een subsidie van 2000 gulden schonk. Doch toen het gemeentebestuur op 16 en 17 maart 1835 een publieke verkoping hield van hei- en broekgronden, waarvan de opbrengst was geraamd op 2000 gulden en deze echter opbrachten 5789 gulden, deed het kerkbestuur een tweede beroep op de gemeente en keurden Gedeputeerde Staten goed, dat een tweede subsidie werd verleend van 2800 gulden. Ook verstrekte de gemeente toen een geldlening van 1500 gulden tegen 2,5%. De werkzaamheden werden aangevangen op 27 september 1834.
Het uitgavenboek van de kerkbouw meldt als uitgaven van september 1834 tot augustus 1836 slechts uitgaven voor het schieten van leem, houthakken, mutsers maken, het maken van stenen en het stoken van stenen, waarvoor een loon werd uitbetaald van 10 à 11 stuyvers per dag. De steenstoker verdiende 1 gulden per dag. Deze soort uitgaven lopen door tot augustus 1836. De fundamenten zijn gegraven op 3 september 1835. De stenen werden waarschijnlijk gebakken in het achterbosch, omdat daar de grond veel leem bevat. Verder zijn er ook veel stenen bijgekocht.
Inmiddels had men een terrein aangekocht op 7 oktober 1835 in de zogenaamde “Papenhoek”. Dit terrein was groot 23 roeden en 50 ellen, en werd gekocht van Antonetta van der Aa, echtgenote van Adriaan van Mierlo, die dit geërfd had van een familielid te Gemert. De koop werd gesloten voor de som van 150 gulden.
De toren die niet begrepen was bij de begroting van de kerk zou kosten de som van 4000 gulden. Om die kosten te drukken was aan het gemeentebestuur, en door deze aan de Provinciale Staten, verlof gevraagd om de toren in “’t Hof” te mogen afbreken en het materiaal te gebruiken voor de nieuwe toren. Dit verlof werd gegeven onder voorwaarde dat:
1. de nieuwe toren minstens zo hoog moest zijn als de af te breken toren;
2. de gemeente steeds moest kunnen beschikken over de twee luidklokken die ook zouden worden overgebracht;
3. verder de gemeente moest zorgen voor een goed gaand uurwerk.
De nieuwe toren werd in geheel dezelfde bouwtrant opgetrokken. Er hingen in de oude toren drie klokken, welke zijn overgebracht naar de nieuwe toren. De ene was van het jaar 1588 en had als opschrift:
“Sint Servaes heit ick,
Hanrick van Trier goet mij Anno
Dni 1588”
Zij had een gewicht van 550 kilogram. De tweede klok had een gewicht van 450 kilogram en vermelde de namen van drosschaert en schepenen uit die tijd. Dat waren: G.H. Dolleman Drossart, J.F. Swinkels, J. Maas, H. van den Heuve, F.D. Maas, J. van Hoof, H. van Osch, F. van der Zanden Schepenen. E.A. Rovers Secretaris. Henricus Petit me fundit A.O. 1802. Deze twee klokken zijn helaas geroofd door duitsers in de jaren 1940-1945.
De derde klok, een oud Anglusklokje werd op vernuftige wijze behouden, en is nog steeds in het bezit van onze kerk. Het doet thans dienst als consecratie-klokje voor in de kerk. Het weegt circa 50 kg en het jaartal is 1543. Het opschrift luidt:
“Maria is mijnen naam, Jan Moer
maeckten mij int jaar MCCCCCXLIII”
Zoals hierboven gezegd, moest de gemeente zorgen voor een goed gaand uurwerk, dat ook in de toren welke is afgebroken nog eigendom was van de gemeente. De toren van de kerk werd gebouwd in 1837. In het front, juist boven de ingang, stond een grote gedenksteen, waarvan de inscriptie een chronicum omhelsde:
UNITRINOQUE DEO SUB INVOCATIONE
SANCTI SERVATII SACRUM
JOANNE VAN DENSEN PASTORE
AEDITUIS ANDREEA L. MAAS ET
JOANNE VAN DEN BROEK
De hoofdletters in het chronicum vormen samen het jaartal 1837. De vertaling luidt: Aan de Drieënen God onder aanroeping van de H. Servatius toegewijd. Joannes van Densen Pastoor Kerkmeester Andreas L. Maas en Joannes van den Broek. De kerk is op 5 mei 1839, op de 5de zondag van Pasen betrokken, nadat ze daags tevoren door de zeereerwaarde heer G.P. Wilmer, secretaris aan het vicariaat, plechtig was ingezegend. Bij deze inzegening was de kerk echter nog niet klaar, want ze moest nog voor een groot gedeelte bezet worden, en de eerste H. Mis moest er nog gelezen worden. Bij de eerste H. Mis op 5 mei hebben de gelovigen hun medeleven betuigd door de schaal op die dag goed te gedenken, want deze bracht toen die dag 438,95 gulden op, wat voor die tijd zeer veel was.
Het kerkhof (1864) dat naast de kerk lag werd later op 25 september 1875 vergroot met het stuk, dat achter de calvarieberg lag, wat men intussen had bijgekocht. Een gedeelte van de gracht welke hier lag werd gedempt. Het terrein van de kerk was vroeger namelijk geheel omgracht.
De totale kosten van de kerkbouw bedroegen 18.695,33 gulden. Pastoor van Densen zelf heeft voor de kerk veel privé geschonken. Een van de grootste weldoeners van de kerk is wel geweest de familie Sterken Rooijakkers. Deze schonken in 1837 een gift van 4000 gulden en in 1838 nog een tweede gift van 1000 gulden met als last jaarlijks een jaargetijde voor haar, haar echtgenoot en voor haar zoon Rudolphus en haar dochter Catharina. Deze vier namen hebben altijd gestaan op het zogenaamde “zielboek” in de kerk.
De plechtige kerkwijding geschiedde op 23 oktober 1843 door bisschop Henricus Den Dubbelden. Een van de eerstvolgende grote feesten had plaats op 24 mei 1900, bij gelegenheid van het gouden priesterjubileum en het zilveren herderfeest van de zeereerwaarde Heer J.F. Branten. Deze dag zal in het kort hier even worden weergegeven:
De feestdag viel op donderdag, en na de middag om zes uur kondigden de heldere tonen van de torenklokken het zeldzame, dubbele feest aan, dat hier gevierd zou worden. Op de toren vertoonde zich de vreugdevlag en weldra wapperde van alle huizen de nationale driekleur. In de heilige mis van dankzegging op vrijdagmorgen 9 uur was de kerk stampvol. Er werden na de mis plechtige liederen gezongen door de jeugd van Lieshout, terwijl de jubilaris na afloop de kinderen trakteerde op chocolade met krentenbrood. Milder nog was de jubilaris voor de armen, welke met vreugdetranen in de ogen hun monster wittebroden opstaken, en daarbij ieder drie rijksdaalders toonden, die hen door de jubilaris waren geschonken. Ook de receptie van de jubilaris was overdruk. Na de middag bracht de fanfare “St. Caecilia” een serenade, en voerde haar mooiste stukken uit.
Op dinsdag 29 mei zou eigenlijk pas het grote feest worden gevierd. Reeds weken had men zich beijverd om van die dag een waar feest te maken, zo zelfs, zoals men er in het dorp nog geen beleefd had, en dat nog lang in herinnering zou blijven. Maandenlang waren de meisjes bezig geweest met papieren bloemen te maken en guirlandes te vlechten. Ze waren zelfs met karren naar de heide getrokken om jonge berkelbossen te gaan halen. Lieshout had nog zelden zoveel volk op de been gezien als op deze feestdag. Uit de gehele omgeving kwamen vrienden, familie en genodigden naar hier. De morgen van het feest beloofde een heerlijke dag. Een zachte westenwind woei door het jeugdige groen der bomen, en de zon glansde in volle luister aan de zacht bewolkte hemel. Om half tien zou de plechtige H. Mis plaatshebben, maar reeds lang tevoren, bewogen zich door de straten een menigte mensen zowel uit het dorp als van elders. Om kwart over negen eden zich de tonen van de fanfare horen, en bij de kerk verdrongen talrijke toeschouwers en belangstellenden zich om de plechtige stoet te zien. De nette kerk was eenvoudig en smaakvol versierd, vooral het veelkleurige vlaggendoek in het schip en de draperieën in het priesterkoor voldeden goed. Hier lazen we onderandere de volgende chronicums:
1ste voor het altaar:
draag lang, geLIefDe JUbILaar,
deez’ reIne LaUWerkransen,
tot GIJ ’t vergankeLIJKe hoogaLtaar,
verrUILt voor ‘sions transen.

2de voor het priesterkoor
ge zIJt een Vader voor UW sChare
we tUIgen ’t aLLen bLIJ,
dt goD U voor ons heIL beWare,
zoo vragen we op UW feestgetIj.
Om half tien werd door de jubilaris een plechtige H.Mis opgedragen, geassisteerd door zijn beide eerwaarde neven als diaken en subdiaken. Het voerde met nauwgezetheid en zo verdienstelijk mogelijk de 4 stemmige “Missa in honorem S. Stephani” van Tychon uit. Een woord van lof aan de directeur de heer A.J. Thews was dit waard, alsook aan het gehele zangkoor. NA afloop van de H.Mis werd de feestrede gehouden door de zeereerwaarde heer J. Wouters, de pastoor van de Donk, die gedurende 14 jaar te Lieshout als kapelaan werkzaam was. Hij schilderde in mooie woorden de verhevenheid van het priesterschap en gaf in korte trekken de levensloop van de pastoor. Toen pastoor Branten in Lieshout kwam, behoorde er uit zijn parochie geen tot de geestelijke stand, terwijl zeer velen nu wel hiertoe behoorden. Na de mooie feestrede liet het orgel zijn tonen weer horen en werd door het zangkoor uitgevoerd no.1 van het programma: “hulde aan het priesterschap”, cantate door J. Haagh, Css. Op het pleintje nabij de weg die naar Beek voert was een vermeldenswaardige piramide gebouwd. Ook voor de pastorie en kerk, waren mooie bogen aangebracht, waarvan een in de stijl van de kerk. Aan de ingang van het dorp had men een piramide gemakt bestaande uit groen, seringen en brem waarop het volgende opschrift prijkte:
Dat hat onsze Herder niet gedacht,
maar er komt wel iets onverwagt.
Om half vijf in de middag begon de optocht bestaande uit:
– Heraut
– 1ste groep gardes d’honneur
– 1ste afdeling der verschillende gezelschappen met praalwagens
– Kinderen der openbare school
– Zangkoor en fanfare “St. Caecilia”
– Praalwagen met bruidjes
– Kerkmeesters
– Feestcommissie
– Kinderen der bijzondere school
– 2de afdeling der verschillende gezelschappen met praalwagens
– 2de groep gardes d’honneurs
De wagens hadden veel bekijks. Vooral de praalwagen met bruidjes en de wagen der firma Merkelbach & Co, welke Lieshout’s industrie voorstelde, trokken zeer de aandacht. Het oude schutsgilde nam trouw zijn plaats in bij de stoet. Toen de fanfare bij de pastorie was gekomen, hield de stoet halt, en werd de jubilaris geluk gewenst door de heer P. Brox en een bruidje. Ook de pastoor sprak nog een dankwoord, waarna de harmonie nog enige nummers ten gehore bracht, waarna de stoet in het dorp werd ontbonden. In der herbergen heerste vrolijkheid en beweging, welke een prettige avond voorspelden. De jubilaris had talrijke kostbare geschenken gekregen, waaronder sommige van hoge kunstwaarde. In de kerk kon men de communiebank bewonderen, deze was geheel in romaanse stijl. Deze communiebank was een geschenk van de parochianen aan hun dierbare herder.
Uit voorgaande feestelijkheden blijkt, toch wel hoezeer de parochianen eensgezind waren bij kerkelijke feesten en welke eerbied zij hadden voor het kerkelijke gezag.

De kerk telde ruim 380 zitplaatsen. Deze bestonden uit banken, welke zoals dat vroeger gebruikelijk was voorzien waren van toegangsdeurtjes. Deze toegangsdeurtjes werden rond de laatste wereldoorlog verwijderd. De kerk bestond uit een middenschip en twee zijbeuken, waarin tegen de buitenmuur beelden van verschillende heiligen waren aangebracht. In beide zijbeuken was een stenen zijaltaar geplaatst. Eveneens stond er in elke zijbeuk een biechtstoel, die evenals de preekstoel waren vervaardigd van fraai houtsnijwerk. Deze preekstoel stond ongeveer in het midden van de kerk. Voor het priesterkoor stond voornoemde communiebank in romaanse stijl, waarin het laatste avondmaal was afgebeeld. De kerk gaf een zeer devote indruk, mede vanwege de lichtinval door de gebrandschilderde ramen. Bijzondere aandacht verdiende ook het zeer mooie, eveneens uit houtsnijwerk vervaardigde orgel achter in de kerk op het “koor”. Van dit orgel kan het volgende vermeld worden: In september 1862 kwam het kerkbestuur in een buitengewone vergadering overeen een nieuw orgel in de kerk te plaatsen. Het orgel werd in 1864 gebouwd door de gebroeders Franssen uit Horst (Limburg), voor een totaalprijs van 2387 gulden. De gebroeders Franssen verbonden zich gedurende 25 jaar in te staan voor het werk onder voorwaarde, dat het orgel jaarlijks zou worden nagezien en gestemd, tegen een bedrag van 6 gulden. De mooie orgelkast bestond voor het grootste gedeelte uit wagenschout en werd vervaardigd door de gebroeders Goossens van ’s-Hertogenbosch voor 1600 gulden. Op de orgelkast bevonden zich zeven beelden van eveneens mooi houtsnijwerk, waaronder zes musicerende engelen en aan de top koning David met een harp.
Tussen 1911 en 1913 heeft een grote restauratie van de kerk plaatsgehad. Tijdens dit werk wordt door het kerkbestuur besloten de orgelkast en de preekstoel in oorspronkelijk eikenhout te laten terugbrengen. Dit koste 175 gulden. Hierna nog enige gegevens uit het “notulenboek van de vergaderingen van het kerkbestuur, met betrekking tot dit orgel:
1862
Ook heeft in september eene buitengewone vergadering plaats gehad, waarin men is overeengekomen om een nieuw orgel is de kerk daar te stellen en ten dien einde magtiging te verzoeken van Z.D.H. hetgeen ons is geworden.
maart 1879
Ook is gesproken over het orgel, wat sedert zijn bestaan niet geschied is, te doen schoonmaken en daartoe eene buitengewone uitgave bij Z.D. Hoogw. aan te vragen.
2 mei 1879
….. ter opzending aan Zijn Doorl. Hoogw. onderteekend een bijlage op de begroting van 1978: namelijk….. 3. een post van 120 gld. tot het schoonmaken van het orgel, wat sedert zijn bestaan nooit heeft plaatsgehad, hoewel hij jaarlijks is gestemd.
29 julij 1890
In deze vergadering….. 2. Geraadplaagd over het repareeren van het orgel, welks onkosten volgens opgave van Augustus Oosterdag, orgelmaker te ’s Bosch zouden belopen 194 gld. Besloten in alle geval te wachten tot het volg. jaar.
15 juni 1892
Is besproken de noodzakelijk om het orgel te doen repareeren. Afgaande op het oordeel van deskundigen, is door het kerkbestuur toegestaan de geraamde kosten van ongeveer 230 gulden en de magtiging daartoe te vragen.
15 november 1893
Bij het overlijden van den organist Henri van de Donk, die zijne betrekking steeds eer aandeed, is het kerkbestuur tot het besluit gekomen eenige veranderingen aan te brengen aan de goedkeuring van Z.D.H., den bisschop van ’s Bosch voor te stellen; namelijk
1 In plaats van 125 gulden salaris uit de kerk zal de organist ontvangen 80 gulden, terwijl hem ongeveer 75 gulden der gezongen missen zal geworden; alsmede blijft hij oudergewoonte tweede kaarsenmaker der kerk.
2 De directeur van het zangkoor ontvangt met 1 january mede uit de kerkekas 20 gulden.
3 Het zangkoor is ontheven van de uitkering ad 10 gulden voor den directeur. De redenen dezer verandering zijn aan het kerkbestuur bekend en zullen in de officieele aanvrage aan Mongeigneur medegedeeld worden.
II. Mede is in deze vergadering met algemeene stemmen van het kerkbestuur besloten Franciscus (Petri) Swinkels te benoemen tot organist der kerk met de toelage als boven omschreven. Bij de occurentie van twee gelijke aspiranten, wat de persoon en de bekwaamheid betreft, is het kerkbestuur om meer huiselijke omstandigheden tot dien keuze gekomen.
De medeaspirant Gerardu (Martini) Coppens zal door het kerkbestuur bij gelegenheid gaarne en met reden zijne bijzondere aanbeveling verdienen en verkrijgen.
2 junij 1896
Den 23 m3i 1886 overleed Henricus van den Broek. Organist, in diens plaats werd aangesteld Henri van de Donk overleden 22 september 1893; daarna Frans Petri Swinkels overleden 26 mei 1896; zodat de organisten hier een kort leven beschoren schijnt en het kerkbestuur weder tot een nieuwe keuze in deze vergadering is overgegaan; na hulde gebragt te hebben aan den organist Frans Swinkels, als hebbende zijne betrekking met ijver en eer vervuld, heeft het kerkbestuur met algemeene stemmen besloten Gerardus Martini Coppens tot organist te benoemen met de wensch om dien post met een lang leven te mogen bekleeden.
Tot aan zijn overlijden op 17 april 1957 heeft G.M. Coppens de functie van organist bekleed. Op 5 juni 1956 mocht hij bij zijn 60-jarig jubileum de pauselijke onderscheiding “Bene merenti” ontvangen. Na zijn dood werd hij vervangen door kapelaan L. Cornelissen, die het orgel bespeelde tot 30 september 1962, toen de nieuwe parochiekerk werd geconsacreerd, waarin voor het oude orgel wegens haar grootte geen plaats meer was. In mei 1964 werd het orgel verkocht aan het kerkbestuur van de parochie Meijel, waarna in juni door de firma Verschueren met de demontage werd begonnen.
Reeds in 1957 verkeerde het orgel in een slechte en verwaarloosde toestand. De manualen waren vermolmd, het belegsel van de toetsen was grotendeels verdwenen. Enkele registerknoppen ontbraken en van verschillende was de benaming weg. De pedaal-, evenals de manuaalkoppeling waren uitgeschakeld wegens defecten in het mechanisme. Alle tongwerken waren verwijderd. Enkele metalen labiaalpijpen waren doorgezakt of omgeknikt, terwijl vele pijpen gedeukt waren; de grote houten pijpen waren gescheurd. Windladen en kanalen lekten. Alles was gedekt met stof en vuil, zodat een groot aantal pijpen niet meer sprak. Alleen de orgelkast verkeerde nog in een prima staat. Door de firma Vermeulen uit Weert zijn de pijpen weer sprekend gemaakt; andere restauraties hebben niet plaats gevonden. Bij de demontage van het orgel kwamen twee eigenaardigheden voor de dag:
1 aan de basisbalken van de orgelkast was iets gewijzigd, en
2 onder het orgel in de vloer van het koor werden twee vierkante gaten gevonden. Bij navraag kon hiervan de oorzaak worden vastgesteld. Bij verplaatsing van het orgel bleek namelijk de doorgang voor de zangers tussen achterwand van het orgel en torenmuur te klein. Een gedeelte van de orgelkast is toen 15cm teruggeplaatst naar binnen. Oorspronkelijk geschiedde de windtoevoer op een andere wijze: de magazijnbalg, die ongeveer 3 meter hoog in de toren is geplaatst stuurde de wind naar beneden, dan onder door de vloer van de toren en van het koor en deze bereikte zo eerst het positief en daarna het hoofdmanuaal. In de loop der jaren is er nogal wat strubbel geweest met deze windvoorziening en vooral aan de balgen is veel gerepareerd. Toen in ongeveer 1925 een elektromotor werd geplaatst, is de windtoevoer gewijzigd: van de magazijnbalg rechtstreeks zonder bochten over het plafond van de toren en door de torenmuur baar het hoofdmanuaal en vandaar naar het positief.
Op de deur, die toegang gaf tot het koor stond het volgende gedichtje geschreven:
Piet Baggersmans in draf
Lei het voor niemand af.
Hij speelde op zijn poot
Nu is helaas hij dood.
En het antwoord hierop van de organist:
Pietje trapte wel zeer fijn
Doch Joost die trapt zoo als ’t moet zijn
Op zijn gemak en toch veel wind
zoo dat ik hem uitstekend vindt.
1920 G. Coppens
De orgelkast werd gerestaureerd door Jac. Bongers te Roggel. De nieuwe speeltafel werd in de kerk van Meijl geheel vrij van het orgel geplaatst. Het oude pijpwerk bestemd voor het nieuwe orgel werd gerestaureerd. Het orgel zelf is bijna geheel nieuw, op enige pijpen na, en behalve de windlade van het positief. Deze werd gerestaureerd en met twee slepen uitgebouwd.
Op 30 september 1962, met de gebruikelijke vier zondagse H. Missen werd er afscheid genomen van de oude kerk. Het was ongetwijfeld een afscheid zonder al te veel pijn, want vooral de laatste jaren zat men in een onverwarmde, muffe en schimmelige atmosfeer de H. Mis bij te wonen. Pastoor Schoenmakers hield op deze dag ook zijn afscheidsree, waarin hij ondermeer memoreerde dat er in de jaren van het bestaan van deze kerk, 5780 kinderen werden gedoopt, 1291 huwelijken werden gesloten, en 2685 overledenen vanuit de kerk naar de laatste rustplaats werden gebracht.
In de zomer van 1967 is men pas begonnen met de afbraak van deze kerk, voorafgegaan door het verwijderen van de klokken. Om deze te kunnen verwijderen, heeft men de galmgaten uitgekapt, en langs een stalen kabel de klokken neergelaten. De klokken droegen de namen: “Johannes” en “Cornelia”, omdat ze geschonken zijn door de heer en mevrouw Swinkels “d’n ouwe brouwer”. De klokken werden opgeslagen in de pastorie.
Het afbreken van de kerk heeft nog al enige tijd geduurd. Vooral met de zware muren met steunberen had men veel moeite. De toren, met zijn twee meter dikke muren stond als laatste rotsvast in de bodem, en wel zo vast, dat men de hulp van springstofexperts in heeft moeten roepen. Op maandagmiddag 2 oktober 1967 om precies 10 minuten over twee bracht de springstofexpert maar liefst 8 kilo springstof aan onder de toren om hem definitief neer te halen. Toen de ontploffing plaatsvond wankelde de toren even, maar bleef staan, als wilde hij niet uit het Lieshoutse landschap verdwijnen. Nieuwe gaten moesten worden geboord en weer nieuwe explosieven moesten worden aangebracht alvorens de toren tenslotte machtloos en met een doffe plof ineenzakte, om klokslag half drie. En na het wegtrekken der stofwolken zagen vele toeschouwers nog slechts een puinhoop op de plaats waar eens de zo fiere dorpskerk stond naast het totaal verwilderde kerkhof dat tijdens de afbraak veel geleden had. Ook dit kerkhof is met de grond gelijk gemaakt.

Zesde Kerk
De zesde kerk van Lieshout werd gebouwd op de historische plaats waar voorheen het omgracht huize Ribbius stond, dus op de hoek Ribbiusstraat-Heuvelstraat. Ook de nieuwe kerk is geheel omgeven door de brede oude slotgracht, welke men in stand hield. Bouwpastoor van deze kerk was pastoor Schoenmakers. De aanbesteding vond plaats op maandagmiddag 21 maart 1961 op de pastorie bij onderhandse inschrijving. De laagste inschrijving was W.A. van der Pas te Oss met een bedrag van 353.380 gulden. Aan deze aannemer werd danook het werk gegund. Architect van het werk was J. de Reus uit Oss. De eerste spade voor de nieuwe kerk ging op dinsdag 23 mei 1961 de grond in. Dit was juist twee dagen na het veertigjarig priesterfeest van pastoor C. Schoenmakers die sedert 1944 in Lieshout was. Bij dit jubileum hebben de parochianen hem reeds een bedrag van 1300 gulden geschonken om de benodigdheden voor het altaar in de nieuwe kerk te kunnen kopen. Op 15 oktober 1961 vond de eerste steenlegging plaats.
Als men in het kort een beschrijving zou moeten geven van de kerk, zou men haar kunnen noemen: “Burcht van God” doordat zij gelijkt op een vesting door haar torenachtige uitbouwsels en doordat ze geheel omwaterd is door de brede oude slotgracht. De hoofdlijnen zijn sober en strak. De muren zijn in verschillende tinten gekleurde baksteen opgetrokken. De bakstenen zijn “schots en scheef” door elkaar gemetseld. De hoofdingang is van weerszijde in glas in lood gevat. De constructie is van die aard, dat het plafond is opgehangen aan een vrijdragende staaloverkapping. Daardoor is een grote vierkante ruimte ontstaan, zonder hinderlijke pilaren die de gelovigen het uitzicht op het altaar zouden kunnen beletten. De akoestische kwaliteiten bleken uitstekend te zijn. De vloer is een “kiezel in beton” vloer, die het in verband met het metselwerk zeer goed doet. Het altaar is op een hoogte geplaatst, en bestaat uit een voet van beeldhouwwerk met daarop het altaarblad, dat maar liefst zo’n 3,5 ton weegt. Het beeldhouwwerk op de altaarvoet stelt voor de wonderbare broodvermenigvuldiging en wonderbare visvangst, de mannaregen en de bruiloft van Kana. De edelsmid H. van den Thillard ontwierp kruis, kandelaars en tabernakel. Onder het altaar heeft men marmeren breuksteen gelegd, dit marmer is het enige materiaal dat uit de oude kerk afkomstig is. De nieuwe kerk kostte totaal 502.000 gulden. Na de bouw van de kerk heeft Pastoor Schoenmakers op zijn verzoek bedankt op 31 december 1965.
Pastoor F. van der Putt was de opvolger van pastoor Schoenmakers. Deze pastoor was een zeer muzikaal man, zodat het hem danook speet dat er in de nieuwe kerk geen orgel stond. Op 18 mei 1965 vierde pastoor van der Putt zijn zilveren priesterfeest en op deze dag kwam Louis Toebosch, directeur van het conservatorium op de preekstoel bedelen voor een geschenk aan zijn vriend pastoor: een geschenk voor de gehele gemeenschap: een nieuw orgel in de kerk. En op deze morgen kwam er duizend gulden bijeen, terwijl de pastoor beloofde er ook duizend gulden bij te leggen. Op zondag 5 november 1967 werd het nieuwe orgel feestelijk in gebruik genomen. Het werd ingespeeld door Louis Toebosch, en Maurice Pirenne, rector cantus aan de kathedrale basiliek van St. Jan te Den Bosch. Onder advies van drs. Maurice Pirenne, Lid van de katholieke Klokken- en Orgelraad, werd het orgel gebouwd door Bernard Pels en Zoon NV te Alkmaar. De sierpanelen werden in opaline uitgevoerd door Arnoud Paashuis te Vught.